Hoe je uiteindelijk tuinbaas kon worden, komt bij de viering van jubilea wel eens aan het licht. Zo viert in 1936 Jan Anderson (1881-1958), tuinbaas op Voorlinden zijn 25-jarig jubileum op die buitenplaats. Bij zijn 40-jarig jubileum in 1951 ontvangt hij - door toedoen van de familie Loudon - de eremedaille in de orde van Oranje-Nassau.
Als 11-jarige gaat Anderson in de leer bij het Gelderse Hof van Dieren. Bij zijn komst naar Wassenaar wordt hij eerst tuinknecht op Duinrell, vervolgens op Kasteel Oud Wassenaar en eindigt hij zijn opleiding op Duindigt. In 1911 wordt hij tuinbaas op Voorlinden. Van zijn gelijknamige kleinzoon (inmiddels 78) hoorde ik dat hij soms wel 17 man onder zich had, voor de verzorging van diverse grote kassen, bossen, boomgaarden (meer dan 50 soorten peren!), bloemen en groenten (zijn specialiteit). Al met al blijft hij daar tot na de oorlog in dienst en blijft er tot aan zijn dood in 1958 wonen.
Geregeld adverteren tuinbazen voor knechten en soms worden volontairs gezocht. Uit de registers van nieuwkomers in Wassenaar blijkt dat anderen zich hier ook direct als tuinbaas vestigen. Er zit nogal wat beweging in de markt van tuinders, tuinlieden en -knechten. Ook richting Voorschoten vanwege Ter Horst, Kasteel Duivenvoorde en diverse buitenplaatsen daar en in Den Haag. In het tuinbouwverenigingsleven van Wassenaar zijn ook tuinbazen uit daar gelegen buitenplaatsen actief
Wassenaar telt in de eerste helft van de vorige eeuw tientallen tuinbazen, te veel om op te noemen, op evenzoveel buitenplaatsen. Dat aantal is nu sterk gereduceerd en alhoewel de term tuinbaas nauwelijks meer wordt gebezigd, bestaat die nog wel. Veel van die buitenplaatsen kennen we nog bij naam, maar opvallend is dat er ook een aantal namen verdwenen, vergeten of gewijzigd lijken te zijn. Zo noteerde ik (naam, locatie en tuinbaas):
Selvetta (Gr. Haesebroekseweg, J. Bernard), Vrije Blick (Hertelaan, Chr. W. v.d. Weert), Beukhaghe (Huis met het Blauwe Dak, J. Kruitbosch), Beaulieu (nu Pluymestein, (Leidscheweg, A. van Scherpenzeel), Goudensteijn (?, G. Kolenbrander), Duin en Dennen (Schouwweg, Sebo Boer) en Saphire (Gr. Haeseboekseweg, N. van de(r) Heuvel). Uit overlijdensadvertenties van Wassenaarse tuinbazen - geplaatst door de landgoedeigenaren - komt de wederzijdse betrokkenheid duidelijk naar voren. Wiltzangk (J. Bernard, 51 j. ruim 30 j. in dienst, 1925), Beukenhorst (W. v.d. Ham, 81 j. 35 j. in dienst, 1937). Dat geldt ook voor de jubilea die aangekondigd en gevierd worden. Ivecke (A. Kuiper, 25 j., 1937), Ter Horst (de Jong, 25 j.,1929 en 45 j. bij pensionering in 1949). Een aantal tuinbazen (Vogels, Geijzendorpher, Hoogteijling, Zegwaard, Gussekloo) genoot ook lokale bekendheid bij de Wassenaarders.
Moeder natuur heeft het uigestrekte Wassenaar royaal beloond met veel fraai en divers natuurschoon. Dat is gelukkig voor een groot deel bewaard gebleven. Landgoedeigenaren hebben beroemde en bekende tuinarchitecten in de arm genomen om parkachtige landschappen en bijzondere tuinen te creëren. Bij de latere aanleg van villaparken is er door projectontwikkelaars veel aandacht aan een groen en parkachtig karakter besteed. Ook tuinbazen hebben door de eeuwen heen een niet onbelangrijke rol gespeeld in de verfraaiing van ons dorp en de bevordering van kennis over planten en bloemen. Wat aandacht voor deze (verdwenen) beroepsgroep lijkt me dan ook op zijn plaats.
Peter Ten Arve

Huize Duinrell, werk van tuinbaas Vogels (ca. 1910), digitaal fotoarchief Gemeente Wassenaar.