Wie waren zij?
Tot in de tijd van de explosief toenemende bevolking in de eerste helft van de 20e eeuw is Wassenaar eeuwenlang een boerendorp geweest. In het begin van de 16e eeuw kon een boerengezin met zo’n 15 ha grond voor zichzelf zorgen door het houden van een paar koeien, vogel- en visvangst, het steken van turf, wat spinnen en weven en door een kleine hoeveelheid graan te verbouwen. De hoeveelheid verhandelde producten was nog klein. Tegen het midden van de 17e eeuw bood zo’n boerenbedrijf werkgelegenheid aan het gezin plus nog een of twee knechten en meiden. De betere ontwatering en toegenomen specialisatie speelden hierin een rol en ook de verdere ontwikkeling van de handel, bijvoorbeeld in boter, kaas en consumptiemelk.
Archiefmateriaal over Wassenaar laat zien dat deze algemene schets van boerengezinnen in de kustprovincies ook op Wassenaar van toepassing is. Al in het kohier van het hoofdgeld van 1623 kunnen we vaststellen dat meerdere huishoudens in Wassenaar een inwonende knecht of meid hebben. Duidelijke aanwijzingen hiervoor treffen we ook aan in het kohier van de 200e penning uit 1674, in een volkstelling onder katholieke huisgezinnen uit 1700, in het kohier van de personele quotisatie van 1742 en in het kohier van het dienstbodengeld uit 1814
In de 19e eeuw worden systematische registraties van de bevolking ingevoerd, en in de archieven uit de eerste decennia van de 20e eeuw vinden we van de inwonende meiden en knechten niet alleen hun naam, leeftijd, geboorteplaats, burgerlijke staat en godsdienst, maar ook hun verblijfsduur en geografische mobiliteit. Uit deze gegevens voor Wassenaar zijn een aantal conclusies te trekken. De eerste is dat inwonende meiden en knechten altijd ongehuwd zijn en bijna altijd jong, dat wil zeggen jonger dan 30 jaar. Velen zullen later zijn getrouwd en zelfstandig zijn gaan wonen, waarbij ze al dan niet in de agrarische sector werkzaam bleven, dan wel meewerkend echtgenote of huisvrouw werden.
De tweede conclusie is dat de verblijfsduur van de inwonende knechten en meiden bijna altijd kort was. Ze bleven in de regel voor een periode van een paar maanden à een half jaar tot hooguit enkele jaren bij hetzelfde boerengezin. Overigens kenden boerengezinnen ook periodes waarin ze geen inwonende meid of knecht hadden. Als er bijvoorbeeld een meewerkende zoon en dochter op het bedrijf waren, was een inwonende knecht of meid niet nodig. En ook het seizoen speelde een rol: de winter was een rustige periode op een toenmalig melkveebedrijf, dit in tegenstelling tot het voorjaar en de zomer.
Gegevens uit het begin van de 20e eeuw laten een derde opvallend punt zien: de hoge geografische mobiliteit. In deze periode zijn de meeste knechten en meiden geen Wassenaarders, maar geboortig uit plaatsen in de regio Den Haag- Leiden, of zelfs uit veel verder weg gelegen plaatsen zoals Drachten en Goes. Uit hun vorige en volgende woonplaats valt af te leiden dat velen rondtrokken, bijvoorbeeld komend van Aalsmeer en vertrekkend naar Veghel. Slechts een minderheid keerde terug naar de plaats waarvandaan hij of zij was gekomen.
Aangenomen mag worden dat deze schets ook geldt voor de voorgaande eeuwen, echter met dit verschil, dat de afgelegde afstanden ongetwijfeld kleiner zijn geweest toen zij nog moesten reizen met de trekschuit, liftend met een boerenwagen mee, of te voet, en toen de wegen nog onverhard waren.(wordt vervolgd)
Marry Niphuis-Nell