De historie kent ambten en beroepen die door de ontwikkelingen, zowel maatschappelijk als door de techniek, nu verdwenen zijn. We kennen ze nog uit verhalen; denk aan de dorpsomroeper, de lantaarnopsteker en de telegrambesteller. Als je oude stukken doorneemt kun je die verdwenen ambten tegenkomen. Zo ook de ‘turftonder’, hier destijds door de Heer/Graaf/Baanderheer van Wassenaar aangesteld voor het controleren van de hoeveelheden aangevoerde turf die plaatselijk aan klanten werden geleverd. De turf werd per schip aangevoerd en kon uit verre streken afkomstig zijn.
De ‘turftonder’ treedt in functie bij de laatste transactie met de turf voordat die verbrandt in de huiselijke haard, in de oven van de bakker of onder de ketel van de bierbrouwer. Bij het lossen van de schepen werd de turf door de turftonder in tonnen van een vaste geijkte omvang gedaan. Gaandeweg moest de ton drie keer ‘geschud’ worden zodat de vulling goed werd. In veel gevallen waren het overigens vrouwen die dit werk verrichtten, de ‘turftonsters’. Vaststelling van de hoeveelheid verhandelde turf was erg belangrijk omdat over elke ton een aantal stuivers belasting moest worden betaald.
Van 1650 is er in het Gemeentearchief in Raadhuis De Paauw een reglement van de stad Leiden waarin de afmetingen van de te hanteren tonnen uitvoerig is vastgelegd en ook de werkwijze van de ‘turftonder’ wordt beschreven. En dit reglement is door de Staten van Holland en West Friesland overgenomen. In latere stukken wordt verwezen naar een Ordonnantie van de Grootmogende Heren van december 1749 op de ‘consumptie van turf en koolen’, een opvolgend reglement voor de Baronie van Wassenaar en Zuidwijk. De door de Heer van Wassenaar nieuw aangestelde turftonders moesten in een eed vastleggen, dat ze het reglement stipt zouden toepassen.
Naar de functie turftonder kon men solliciteren als er een plek vrij kwam. Als regel zal dat zijn geweest door overlijden; zo Neeltje Symons in 1731, Jeremias Lammers in 1777 en Johannes van der Hoeven in 1787. Er kunnen tezelfdertijd meer turftonders actief zijn geweest. In 1790 wordt door de schout bericht gedaan aan de Heer van Wassenaar, dat Jan Lems heeft bedankt als turftonder; er zijn dan minstens vijf sollicitanten. De benoemde opvolger, Frederik Meyer, wordt gewezen op de Ordonnantie van 1749.
In de stukken komen ook brieven voor uit 1787 met de klacht dat Servaes Stark, die dient als noodhulp van de echte turftonster, zijn vrouw Johanna Renaut, ‘niet ordentelijk de tonnen believe te schudden’. De klager C. Barkens trekt al een dag later haar klacht in ‘want zij wist niet dat daaromtrent een reglement …’ Wel komt er dan een nieuwe keur of ordonnantie van Carel George, Graaf en Baanderheer van Wassenaar waarin ondermeer wordt vastgelegd dat ook de halve turven in de tonnen moeten. Deze mag de turftonder beslist niet stiekem opzij leggen. Voor de bekendheid van de keur worden afschriften gemaakt en opgehangen, ook op het ‘Comptoir van ’s Lands Collectie’ (het belastingkantoor).
De functie van ‘turftonder’ is een voorbeeld van regelgeving voor wat eeuwenlang alom bekend was als sluitstuk in de weg van turf uit het veen naar de haard of de oven van de klant. Ook toen en hier hield de overheid al het nodige toezicht.
Wiebrand Dijkstra