“Attentie buurtpreventie” staat te lezen op borden bij de toegang tot diverse wijken van ons dorp. Afschrikking van potentiële inbrekers en dieven is de bedoeling. Hier wordt immers gewaakt over de veiligheid van de bewoners, vaak door middel van gemotoriseerde patrouilles van een particulier beveiligingsbedrijf.
In de achttiende/negentiende eeuw werd die beveiligingsfunctie te voet uitgeoefend door de “klapwaker”. Hij was door het dorpsbestuur van Wassenaar en Zuidwijk bij reglement aangesteld. Zijn salaris bestond gedeeltelijk uit de gelden die hij zelf moest innen van de eigenaren van de huizen waar hij langs liep. In 1776 bijvoorbeeld werden 129 personen – daaronder begrepen “de diaconie armen van Wassenaar”, “het Dorpsschool” en “het Predikantshuijs”- aangeslagen voor een totaalbedrag van vier gulden, vier stuivers en twaalf centen per week.
De route was bij reglement precies voorgeschreven. Volgens dat van bijvoorbeeld 31 oktober 1776, leidde de weg van de klapwaker door de Weststraat (Gang), de Zuidstraat (Langstraat) en het Sloot (Langstraat tussen Gravestraat en Molenstraat), de Achterweg, de Ooststraat (Schoolstraat), Berkheistraat en het Plein. De tijden waarop de klapwaker moest rondgaan varieerden al naar gelang het jaargetijde en ook wel per reglement. Globaal genomen was dat: ‘s zomers van elf uur ’s avonds tot vier uur ’s morgens, in de winter van tien uur ’s avonds tot vijf uur ‘s morgens.
Weer of geen weer, de klapwaker moest zijn ronde maken en op alle uren zijn klap (een houten klepper) laten horen en met “luider stemme” het uur aangeven. Klokken hadden de meeste mensen in die tijd immers niet. Bij brand moest hij de klap “verkeerd slaan”, en heel hard “brand” roepen over het “gehele dorp” en burgemeester en brandwachten waarschuwen. Een taak had de klapwaker ook bij verdachte omstandigheden, zoals een opstootje of een betrapping op heterdaad van een inbraak. In het eerste geval moest hij de veldwachter inschakelen, in het laatste zelf de aanhouding verrichten en de boosdoener overleveren aan de schout of burgemeester. Van buitengewone omstandigheden moest hij de volgende dag de hiervoor genoemde autoriteiten in kennis stellen.
De klapwaker oefende dus een verantwoordelijke functie uit. Daarom mocht hij zonder toestemming van overheidswege aan niemand anders de klap overdragen en mocht hij op zijn route “geen tabak roken” en “zich niet nutteloos ophouden”.
Suzanne Spruijt-Mets.