Het huis Groot Haasbroek
Tot de Wassenaarse goederen die bij decreet werden verkocht, behoren o.a. Groot Haasbroek, Hoogduijn, Bleijesteijn, Santhorst, Rijksdorp, Bellesteijn, De Nieuwe Deijl, Waelsdorp en tal van kleinere huizen en percelen. Het ligt in mijn bedoeling om op enkele van deze verkopen wat nader in te gaan.
We beginnen met het huis Groot Haasbroek, later veelal geschreven als Groot Haesebroek. Op 26 augustus 1751 werd ten overstaan van baljuw, schepenen en secretaris van Wassenaar en Zuidwijk de hofstad Groot Haasbroek in het openbaar geveild en door de eigenaars en hun vertegenwoordigers “om contant groff zilvergelt” verkocht aan Jan Back, geheimraad, secretaris en rekestmeester van de prins van Oranje. Het ging om een “groot bequaam logeabel heerenhuijs”, een boerenwoning, schuur en een boomgaard. Verder hooi- en bouwland, “zeekere klingen” en een duin of warande “van oude tijden met conijnen gepopuleerd”. Alles bijeen ging het om 92 morgen land, “doch alles bij den hoop en zonder maat, als de maet met den voet stotende”. De omvang van het land was dus slechts bij benadering aangegeven. De goederen werden deels omschreven als leengoed van de grafelijkheid van Holland en deels als leengoed van het huis van Wassenaar. De rest van de goederen was allodiaal d.w.z. vrij eigendom. Tegenwoordig zou je in zo’n akte een aantal kadasternummers vermelden, maar omdat er nog geen kadaster was, moest de omschrijving anders geschieden. Als belendingen werden o.a. opgegeven de Ruijgenbroek, de Cassawateringh en de Stoepwegh. Toch bleek er ook een kaart van het geheel te bestaan van de hand van de landmeter Douw uit 1568. Verder is er in de akte sprake van de verkoop van wei- of hooiland ter grootte van ruim acht morgen (ca 7 ha) met als belendingen de Veenwateringh, de Scheijdwatering en de kerk van Wassenaar. Voor dit land moest een veenpacht van 30 stuivers per jaar worden betaald aan het huis van Wassenaar. De verkopers en de koper spraken af dat de goederen zouden worden geleverd bij Willig Decreet van het Hof van Holland. Bij de Zondagse en Marktdaagse geboden (openbare dagvaardingen) in de stad Leiden en “opden dorpe van Wassenaer” werden eventuele rechthebbenden opgeroepen zich te melden. Maar ook na herhaalde dagvaardingen kwamen er geen opposanten opdagen, waardoor het Hof op 1 mei 1752 tot interpositie (bevestiging) van het decreet kon overgaan, “imponeerende hierop de voornoemde impetranten (verkopers), defaillanten (niet verschenen opposanten) ende allen anderen een eeuwigh swijgen ende silentium”.
Rob Huijbrecht