Het zich onrechtmatig toe-eigenen van andermans bezittingen is niet van vandaag of gisteren; daar vertel ik niets nieuws mee. Als voorbeeld een artikel uit Het Vaderland van 17 maart 1938.
Medeplichtige trekt bekentenis in
Op 29 December van het vorig jaar werd een inbraak gepleegd in een perceel aan den Langen Kerkdam te Wassenaar. Door het indrukken van een ruit drongen de inbrekers, twee in getal, binnen, haalden in het huis den heelen boel overhoop, doch moesten zonder buit vluchten, toen zij in hun werkzaamheden gestoord werden door den bewoner van het belendende perceel. Deze had in de villa van zijn buurman gestommel gehoord en wetende, dat die buurman zich buiten de gemeente bevond, was hij naar buiten gegaan om eens poolshoogte te nemen. Hij zag een auto staan, waarvan hij het nummer noteerde. Achter het stuur van de auto zat een man, die op een gegeven moment drie stooten op de claxon gaf. Onmiddellijk daarop kwamen twee mannen door de serredeuren te voorschijn, liepen den tuin door, naar de auto. Dadelijk daarop reed de auto met groote snelheid weg. Den volgenden dag werden op aanwijzing van den 25-jarigen P.D. twee mannen gearresteerd, die deze inbraak zouden hebben gepleegd. Het waren D.’s broers. P.D. zelf legde een volledige bekentenis af. Hij had op den bewusten avond de auto gehuurd en de beide anderen naar de plaats van de inbraak gereden.
Toen P.D. in het verdachtenbankje stond, trok hij zijn bekentenis, bij de politie en rechter-commissaris afgelegd, geheel in. Wel gaf hij toe de auto te hebben gehuurd, maar hij had het voertuig aan derden afgestaan. Wie dat waren, kon hij niet zeggen, want de anderen hadden gedreigd hem dood te slaan als hij hen verraadde. De Officier van Justitie noemde het gedrag van verdachte “oliedom” en eischte zes maanden gevangenisstraf. De zaak tegen de hoofdverdachten kwam door de ontkentenis van P. D. niet bepaald op stevige basis te staan. Enkele getuigen konden een alibi vaststellen. Zij zouden op den bewusten dag den geheele avond in het café van “Tante Aal” in de Van der Duynstraat hebben doorgebracht. De caféhoudster, een chauffeur en een werkster konden dit bevestigen. De Officier van Justitie hield zich evenwel aan de aanvankelijke bekentenis van den broer en eischte tegen ieder twee jaar gevangenisstraf, daar beiden ongunstig bij de politie bekend staan en meermalen van inbraak verdacht zijn. Tot nu toe heeft men hen wegens gebrek aan bewijs moeten laten loopen.
Of ze ook nu weer de dans ontsprongen zijn, vertelt dit artikel niet. In hoeverre de verklaring van tante Aal op waarheid berust, valt na al die jaren moeilijk te achterhalen. In een uitgave van dezelfde krant uit 1939 lees ik, dat na een inbraak in de Haagsche Ziekenkas, dezelfde Aal getuigt, dat de vermoedelijke daders zich op het moment van de diefstal in haar café ophielden. Zo te zien maakte ze hier een gewoonte van.
Carl Doeke Eisma