Alle genoemde voorbereidingen waren natuurlijk nog maar half werk als het ging om het vertoon van de beoogde feestvreugde. Op 13 oktober wordt de volgende bekendmaking gepubliceerd. “De Maire van Wassenaer en Zuijdwijk nodigt alle de Ingezetenen dezer Gemeente uit om bij de gelegenheid der ophanden zijnde doortocht Hunner Keizerlijke Majesteiten, de voorgevels hunner Huize en Gebouwen voor zoo verre die aan den Heere of Straat weg staan, en ten aanzien der zodanige welken daar van zijn afstaande, hunne oprijlaanen of Hekken aan denzelve weg met groene Guirlandes, Festonnen of Eerebogen te voorzien, ten einde alzoo hunne Doorluchtige Souvereinen op eene waardige wijze te ontvangen en hunne vreugde door ondubbelzinnige blijken aan den dag te leggen.” Napoleon en Marie Louise bevinden zich op dat moment nog in Amsterdam, waar ze twee weken zouden doorbrengen.
Op 23 oktober ontvangt de maire twee brieven. In die van de onderprefect krijgt hij orders om er voor te zorgen dat de tollenaars vrije doortocht verlenen aan “de persoonen die behooren tot het gevolg van Zijne majesteit den keizer en Koning.” Dat betrof in totaal 74 personen, terwijl er daarnaast ook militaire begeleiding was. De tweede brief is afkomstig van de maire van Leiden en bevat het verzoek om “zes paarden voorzien van goede tuigen” naar Leiden te sturen “moetende dezelve dienen tot postpaarden bij gelegenheid den doortogt van Zijne Majesteit den Keizer.” Er is haast bij, en nog dezelfde dag worden van vier Wassenaarse dorpelingen paarden en tuigen gevorderd en naar Leiden gestuurd.
Op 24 oktober vertrekt Napoleon ’s morgens om zeven uur van Amsterdam en reist via Haarlem en Leiden naar Den Haag. Omstreeks twee uur in de middag verlaat het keizerlijk paar per koets “in vliegende haast” Leiden. Om iets over drieën komen ze aan bij het “Boschhek” (thans: kruising Benoordenhoutseweg met Leidse Straatweg/Waalsdorperlaan), waar door het Haagse gemeentebestuur aan Napoleon de stadssleutels worden aangeboden.
De doortocht van de majesteiten door Wassenaar kan niet veel langer dan tien minuten hebben geduurd. In de kranten uit die tijd wordt over de doortocht door Wassenaar niets gemeld. Is er door de Wassenaarders wel genoegzaam gejuicht? Hebben zij “hunne vreugde” wel door “ondubbelzinnige blijken” aan den dag gelegd? En ook, wisten ze bij welke koets in de stoet ze het “Vive l’Empereur!” moesten aanheffen, hebben ze überhaupt een glimp van de keizer en keizerin opgevangen? Het ziet er naar uit dat we dat allemaal nooit zullen weten. Evenmin als we zullen weten hoe de versieringen aan de huizen en hekken langs de toenmalige Straatweg er uitzagen en hoe fraai de twee erepoorten waren.
Maar dat het allemaal voldoende in orde is geweest in de ogen van de onderprefect, blijkt uit zijn brief van 12 november. Daarin bedankt hij de Wassenaarse maire “voor de zorg die aangewend is tot den ontvangst van hunne Majesteiten”, direct gevolgd door het verzoek om met spoed een declaratie van de onkosten in te dienen. Voor de twee erepoorten berekent de maire “wegens leverantie van hout en arbeidsloon” voor de timmerman ƒ 185:6:12, voor het schilderwerk ƒ 30:-:-. Maar het houtwerk, zo stelt de maire, kan door de gemeente worden hergebruikt en dus kan “de uitgave ter dier zaken verminderd worden.” En over de consumpties meldt hij: “Zijnde de verteeringen bij geleegenheid der doortogt van hunne majesteiten van den jongelingen en jongedochters uit mijn privé beurs betaald dus - Nihil.” Voor een passend vertoon van een “niet twijffelachtige publieke vreugde” moet je als maire natuurlijk wel iets over hebben.
Marry Niphuis-Nell

De Leidsestraatweg in het Haagse Bos gezien in de richting van Wassenaar; in het midden het Boshek; ,rechts de uitspanning Het Roomhuis, 1765.
Pen- en penseeltekening van Dirk Verrijk (1743-1786) 1765. Haags Gemeentearchief.