In de vorige aflevering werd uiteengezet dat in 1820 na een overstroming van de Alblasserwaard, onderdak voor koeien werd gezocht. Daar in Wassenaar 25 stuks Alblasser vee te logeren kwam en 49 personen gastvrijheid hadden aangeboden, konden de lasten verdeeld worden. En zo gebeurde het ook.
Na een maand, op 10 april, wordt een deel van het vee verplaatst naar een andere boerderij. Het valt op dat onder de runderen die bij hun eerste verzorger blijven, veel meer koeien zijn dan pinken. Zes van de in totaal tien koeien wisselen niet van verzorger, bij de pinken geldt dat voor slechts één van de in totaal 15. Dit patroon zien we zich herhalen in de volgende, maandelijkse wisselrondes. Het heeft er alle schijn van dat het gewin aan geworpen kalveren en melkgift aantrekkelijk was. Tenzij het natuurlijk om een slechte koe ging, zoals wellicht die van Teunis van der Gieze uit Brandwijk, die met ingang van de wisselronde van mei elke maand in een andere stal terecht komt, totdat zij pas in december weer naar huis wordt gehaald.
Onder de gastboeren vinden we namen die ook nu in Wassenaar nog bekend klinken, zoals Pieter Alkemade, Johannes Nell, Leendert van der Kleij, Thomas den Hollander, Jan Ruijgrok en Willem Beijersbergen. Maar ook bijvoorbeeld de schout/burgemeester J.A. van Bergen, de heer C.J. de Lange van Wijngaarden, eigenaar van huize Oud-Wassenaar, en de heer A.J. Twent, eigenaar van o.a. De Paauw, bieden gastvrijheid. Laatstgenoemden hebben ongetwijfeld de daadwerkelijke verzorging niet zelf ter hand genomen, maar aan hun personeel of pachters overgelaten.
De dijk bij Langerak wordt al voor de tweede maal gedicht op 1 maart en nu met succes, maar de Alblasserwaard raakt al het binnengestroomde water niet zomaar kwijt. Eind mei staat het er nog ruim een halve meter hoog. Ook is de materiële schade groot: huizen en bedrijfsgebouwen zijn beschadigd of vernield, er zijn gronden met overslagzand bedekt, en vee, voorraden, hooi, stro, huisraad, zaai- en pootgoed zijn tenminste deels verloren gegaan. Het is dan ook geen wonder dat de Alblasser koeien niet snel weer worden opgehaald. De eerste koeien en pinken worden opgehaald op 8 juli. Boer Cornelis Zwijnenberg uit Groot Ammers ontvangt zijn drie koeien en vier pinken weer retour. Een week later halen Bastiaan de Haan en weduwe A. Zwijneburg, beiden uit Langerak, hun in totaal drie koeien en acht pinken op. Adriaan Broekman uit Groot Ammers is op 18 augustus zover dat hij zijn twee koeien en een pink weer naar huis kan halen. Voor de twee koeien en twee pinken van Teunis van der Gieze uit Brandwijk duurt het allemaal wat langer, maar op 24 december worden ook zij tenslotte door hun eigenaar opgehaald. Met kerstmis zijn ze nog onderweg, kunnen we veilig aannemen, maar in ieder geval vóór het nieuwe jaar zijn ze weer thuis.
De dag na kerstmis stelt het dorpsbestuur een brief op aan de gouverneur van Zuid-Holland, waarin zij een overzicht geven van het in Wassenaar verzorgde Alblasser vee. Tevens melden zij dat “de ingezetenen dezer gemeente, welke met de voeding en verzorging van het gemelde vee zijn belast geweest, geene beloning daarvoor verlangen, maar deze hunne verzorging wel willen beschouwd hebben als een op hen rustende pligt”. Volgens een toenmalige beschrijving van de overstromingsramp van de Alblasserwaard hebben “de hulpvaardige landlieden van Zuidholland, zich de schoonste lofspraken verworven, …”. Hoewel het eigenbelang niet helemaal uit het oog verloren werd, komen deze “schoonste lofspraken” dus ook de Wassenaarse veehouders toe.
Marry Niphuis-Nell