In het gemeentearchief van Wassenaar trof ik een verwijzing naar een voor mij wat onverwacht onderwerp aan. Het ging om een dossier over Belgische vluchtelingen. Ik had het me nooit gerealiseerd, maar de inval van de Duitse troepen in België in augustus 1914, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, leidde er toe dat tal van Belgen hun land ontvluchtten. Het desbetreffende dossier begint met een brief van mw. Kessler-de Lange van 28 augustus 1914 aan de burgemeester van Wassenaar.
Zij is op dat moment nog eigenaresse en bewoonster van De Paauw, ons huidige raadhuis. In haar brief schrijft ze te overwegen om haar woning beschikbaar te stellen voor Belgische vluchtelingen. Ze vraagt echter of dit bezwaarlijk zou zijn. Want indien het gebouw nodig zou zijn voor het Nederlandse leger, zou dat, naar ze meende, voorrang moeten hebben. Een antwoord op de brief trof ik niet aan, maar uit stukken van wat latere datum blijkt, dat er inderdaad Belgische vluchtelingen werden gehuisvest in De Paauw. Uit een overzicht van de situatie op 1 januari 1915 blijkt dat het er omstreeks 40 waren. Ook het echtpaar Snijder van Wissenkerke richtte hun huis in als verblijfplaats voor vluchtelingen. Het betrof het (in 1943 afgebroken) huis Persijn aan de Rijksstraatweg, tussen de Persijnlaan en de Van Bommellaan. De grootste aantallen werden echter gehuisvest in het “R.K. jongelings Patronaatsgebouw” en het “Gebouw voor Christelijke belangen”. Terwijl er tot 1 januari 1915 in totaal 353 vluchtelingen in Wassenaar gehuisvest geweest waren, bedroeg het op die datum nog aanwezige aantal 221. Het dossier bevat ook een aantal namenlijsten.
In eerste instantie berustte de hulp op vooral particuliere initiatieven. Er werd een Steuncomité opgericht en er werd een collecte gehouden. Deze laatste bracht 2800 gulden op. Binnen korte tijd waren ook vele vluchtelingen door inwoners kosteloos in huis genomen, vooral kinderen. Maar bijna steeds vroeg men dekens te leen of strozakken en matrassen. Het verblijf in De Paauw was voor rekening van mw. Kessler, maar het Steunfonds verleende waar nodig bijstand. En in een brief van 31 december 1914 schrijft de burgemeester van Wassenaar aan 'Het Belgisch Bureel voor Vluchtelingen' te Rotterdam dat Wassenaar enkele balen met gedragen kleren had ontvangen, geadresseerd aan mw. Duetz.
Maar al betrekkelijk snel komt ook de overheid in actie. Met het voortschrijden van de tijd, zou het voor tal van particulieren toch wel een wat zware last worden. In een brief van 19 oktober 1914 worden de Belgische vluchtelingen er aan herinnerd om onverwijld ten gemeentehuize de verklaring af te leggen, of zij al dan niet naar hunne woonplaats in België wensen terug te keren. Bij niet afleggen der verklaring, worden ze geacht ons land niet te willen verlaten. En op 21 oktober is er een mededeling dat dagelijks een trein voor kosteloos vervoer van vluchtelingen naar België beschikbaar is. (Wordt vervolgd)
Albert Niphuis

De familie Kessler bij De Paauw, ca. 1915. Collectie Robert van Lit.