Ten tijde van de Republiek (1579-1795) kwam echtscheiding nauwelijks voor. Protestanten konden weliswaar scheiden op grond van 'kwaadwillige verlating' of overspel, maar doordat de wetgever deze gronden tevens aanmerkte als strafbare feiten was echtscheiding geen eenvoudige zaak. Voor katholieken gold het huwelijk als onontbindbaar.
In het uiterste geval kon alleen scheiding van tafel en bed worden uitgesproken, maar het huwelijk zelf bleef bestaan zodat er in ieder geval niet hertrouwd kon worden. Slechte huwelijken zijn echter van alle tijden en in de praktijk betekende dit dat er wel degelijk verlatingen waren, maar dan zonder formele (echt)scheiding. Kwam het toch tot een rechtszaak dan werd er op lokaal niveau geprocedeerd. In Wassenaar vond een dergelijk proces dan plaats voor de vierschaar van schout en schepenen. Het schoutsdingboek vermeldt onder meer het volgende scheidingsproces van de in februari 1772 katholiek getrouwde Cornelis Does en Trijntje Boot.
Op de rechtdag van 13 oktober 1774 verzoekt Trijntje Boot, wonend aan Den Deijl, aan de vierschaar om "separatie van bed, tafel, bijwooning en goederen", omdat haar man, Cornelis Does, haar sinds januari 1774 heeft "verlaeten, sonder nae haer suppliante of sijn huijshouden meer om te sien." Op 10 november daaraanvolgend verschijnt Cornelis Does voor de vierschaar. Hij zegt dat Trijntje nooit zal kunnen bewijzen dat hij haar verlaten heeft; dat hij altijd voor hun gemeenschappelijke huishouding "al zijn vermogen heeft aangewend"; dat de "dissentiën [onenigheden]" die zich tussen hen hebben voorgedaan, een gevolg zijn van het gedrag van Trijntje "die met haare quaade bejeegeningen hem [.....] van haar gedreeven heeft", maar dat hij zich nooit "soo verre heeft verweijderd" dat Trijntje hem niet zou kunnen "zien en vinden naar haar welgevallen". Niettemin verklaart Cornelis "bereid en tevreeden te zijn" om van Trijntje gescheiden te worden van tafel en bed.
De uitspraak van de vierschaar komt pas tot stand op de rechtdag van 4 juli 1776. Cornelis en Trijntje blijken onderling overeengekomen te zijn om te scheiden van tafel, bed, samenwoning en goederen. Dat hield onder meer in dat Trijntje in het vervolg "haer eigene saaken zoude mogen administreeren"; dat eenieder aan goederen zou houden wat hij of zij heeft; dat geen gemeenschap van goederen ontstaat als de een of de ander iets verwerft; dat schulden gemaakt sinds januari 1774 zullen worden voldaan door degene die ze gemaakt heeft en dat dat ook in het vervolg het geval zal zijn. Ook stemden ze er in toe dat van de scheiding de "nodige en gewone publicatie zoude werden gedaan";
De vierschaar kan zich geheel vinden in hun overeenkomst en daarmee is de scheiding een feit. De gerechtsbode zal "na klokkegeslag" de publicatie doen. En zo zal de inhoud van de overeenkomst publiek worden gemaakt "opdat een ieder zig hier nae zoude kunnen reguleeren."
Marry Niphuis-Nell

Ruziënde man en vrouw. Schilderij van Bartholomeus Molenaar (overleden 1650). Rijksbureau van Kunsthistorische Documentatie, Den Haag.