Wie kent ze niet aan de Rust en Vreugdlaan , de vier luxueuze appartementsgebouwen van Groot Hoogelande, die voldoen aan de behoefte om “landstedelijk” te wonen? Als het ware wonen “met de voordeur op de Dam en de achterdeur op de Veluwe”, zoals een krantenartikel over dit onderwerp kenschetst. Toen Eduard van Hoogelande op 20 februari 1676 bij testament zijn bezittingen naliet aan “de armen”, had hij nooit kunnen denken dat er op zijn grondgebied in Wassenaar nog eens woonruimte zou worden gecreëerd voor welgestelden. Wie was deze Eduard van Hoogelande, wiens naam verbonden is aan het appartementencomplex?
Welnu, Eduard van Hoogelande werd geboren op 5 januari omstreeks 1590 in Leiden in een aanzienlijke katholieke familie, die beschikte over ruime inkomsten ondermeer uit het bezit van grote landerijen. Zijn vader Jan van Hoogelande was bevriend met Clusius, de stichter van de Hortus Botanicus van de Leidse universiteit. Zijn broer Cornelis was hoogleraar/medicus in Leiden en correspondeerde met de beroemde filosoof Descartes. Van Eduard zelf weten we niet welke beroepsmatige bezigheden hij verrichtte. Hij moet in ieder geval een sociaal bewogen man zijn geweest, want hij liet bij testament van 20 februari 1676 zijn bezittingen na aan “de armen”.
In 1669 had Eduard een stuk grond aan de Boekhorststraat in Den Haag gekocht, waarop hij zestien huisjes liet bouwen. En deze bouw legde de grondslag voor het Hofje van Hoogelande. In zijn testament had Eduard immers bepaald dat die huisjes aan de Boekhorststraat bewoond moesten worden door “arme mannen of vrouwen van minstens ongeveer vijftig jaar oud”. De bewoners van het hofje, door hem “hovelingen” genoemd, zijn “de armen” aan wie Eduard zijn bezittingen naliet. Tot die nalatenschap aan het Hofje van Hoogelande behoorde ondermeer ook een huis met een hof, een boomgaard , een vijver en een stuk land in Wassenaar aan de Korte Kerkdam, de huidige Rust en Vreugdlaan. Eduard had dit huis met aanhorigheden samen met zijn vrouw Joanna Beens in 1628 gekocht. Het echtpaar heeft er ook zelf gewoond. Bij testament had Eduard precies voorgeschreven wie dit huis na zijn overlijden moesten bewonen. Dat was in de eerste plaats zijn huishoudster en na haar overlijden een nicht en haar nakomelingen , echter “zolang zij het hofje blijven administreren”. Maar: “de pachter mag geen last hebben en houdt de grote boomgaard”. Wanneer het huis onbewoond zou blijven , moest het ten bate van de armen worden verhuurd. Overeenkomstig zijn wilsbeschikking is Eduard begraven in “de kerk van Wassenaar”, de Dorpskerk dus. Tot 1916 is er nog jaarlijks door de rentmeesters van het Hofje van Hoogelande vier gulden betaald aan de kerk voor grafonderhoud.
Suzanne Spruijt-Mets