Tussen 1791 en 1811 zijn er 8 delen verschenen van de serie: De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver. Hierin worden vrijwel alle dorpen en steden die in die tijd in de provincies Noord- en Zuid – Holland lagen, beschreven. De Amsterdamse auteur, Lieve van Ollefen, is met deze serie begonnen en Rs. Bakker is vanaf deel V medeauteur. De steden en dorpen zelf worden besproken evenals de geschiedenis ervan en de bereikbaarheid met de postkoets of de trekschuit.
Van Lieve wordt beweerd, dat hij iemand was, “bij wie de diepte gewoonlijk in de breedte verloren ging” en deze uitspraak heeft vooral betrekking op het waarheidsgehalte van de beschreven geschiedenis. De delen zijn voorzien van ovale gravures, gemaakt door Anna Catharina Brouwer. Die van Wassenaar staat tegenwoordig steeds afgebeeld in de rubriek uit het Gemeentearchief. Rs. Bakker heeft deel VII voor zijn rekening genomen en hierin wordt onder andere ons dorp beschreven. Dit deel verscheen in 1799 in ‘Amsteldam’ bij H.A. Blanse. Ik neem een gedeelte van de tekst met betrekking tot ons dorp over. We moeten ons wel realiseren dat in die tijd van een tweetal dorpen gesproken werd, zoals uit de tekst hieronder zal blijken.
“De Hooge Heerlijkheden van Wassenaar en Zuydwyk
Twee Heerlijkheden, welke niet wel van elkanderen te onderscheiden zijn, dog egter beide op haar zelve bestaan. Het Dorp vind men overal netjes bestraat, wordende des Winters met Lamptaarne verlicht, hetzelve is afgedeeld in verscheidene Straaten, waarvan de Langestraat wel de voornaamste is, deze loopt bij den ingang van het Dorp van den Deyl afkomende, en aldaar het Sloot genaamd, tot op het Pleyn voor de Kerk, zynde met hooge platgeschoore Linde Boomen beplant, wordende deze Straat zoals het geheele Dorp zelve, zeer zindelyk onderhouden. Op het midden van dit Kerkpleyn, dat mede extra ruim is, staat de groote Dorp-pomp, welke helder en welsmakend Water opleverd, zoals men ook op verscheidene Plaatsen heerlyk Duinwater vind. In allen opzichte legd het Dorp aangenaam geleegen, hebbende van alle kanten fraaye Wandelwegen en Lommers van allerhande Plantzoen, Kruid en andere Tuinen nevens hooge Duinen. In den Jaare 1632 was het getal der Huizen 172, en in 1732, 297 Huizen, met een Koornmolen. In 1795 bedroeg het getal der Ingezetenen 1753 Zielen. De huizen in het Dorp zyn genoegzaam alle in een goede order; de menigte Buitenplaatzen en schoone Boerderyen vertoonen duidelijk de welstand des Dorps en der Ingezetenen aan. Aan de Zuydzyde van het Dorp legt een hooge Groenenberg, doorgaans genaamd den Burg, en het Stuk land daar dezelve in legt, de Burgwey ganaamd, zynde een overblyfsel van de Duingronden, die rondsom dezelve gelegen hebben, dog die afgezand, en tot Teel- of Weylanden gemaakt zyn, zoals er meer zulke afgezanden Duingronden aan de Westzyde van het Dorp worden gevonden, en waarin ook Heuvels zyn blyven leggen ’t zy met oogmerk op dat het Vee, dat op zodanige Landen loopt, agter dezelve een schuilplaats zouden hebben, tegen guure winden, en reegens; ’t zy om te kunnen toonen dat het maar afgezand Land, en geen oude Weyden is.”
Zoals u ziet, kunt u zo’n tekst van ruim 200 jaar geleden nog lezen, zeker wanneer u dit hardop doet. Ook is het duidelijk dat de schrijfwijze van onze taal in de loop der jaren veranderd is, let maar eens op de dubbele klinker, het gebruik van de g in plaats van de huidige ch en de d en t bij werkwoorden. Tot het midden van de 19eeeuw was het nog gebruikelijk om een y te schrijven in plaats van een ij. De gedachte dat de ‘Groenenberg’ een overblijfsel van duingrond zou zijn is niet juist, zoals onder andere uit het artikel De Wassenaarsche Heuvel uit het Leidsch Jaarboekje van 1918 blijkt. Het jaar ervoor hebben er onder leiding van prof. dr. J.H. Holwerda opgravingen plaatsgevonden en één van de conclusies was, dat de heuvel door ‘menschenwerk’ is opgeworpen. Of ons dorp nog steeds zindelijk onderhouden wordt, mag u zelf beoordelen.
Carl Doeke Eisma

Het dorp Wassenaar. 'T DORP WASSENAAR.
Kopergravure uit 1793 door Anna C. Brouwer, met beschrijving in rijm.
Uit: "De Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver". Van Ollefen en Bakker.