De dag waarop de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was mijn eerste schooldag, 1 september 1939. Ik stond a1s leerling ingeschreven bij de Openbare Lagere Schoo1 aan de Bloemcamplaan met als schoolhoofd de heer W.F. de Bree. Vanuit de Van Bommellaan wandelde je in twintig minuten langs de Rijksstraatweg en vervolgens via de Kerkeboslaan, de Teylingerhorstlaan en de Bremhorstlaan naar deze school.
Tot aan de Wittelaan had het wandelpad aan de linkerzijde, als grens met de rijweg, fraaie beuken en rechts grote villa's, waarin o.a. de families Hoos, Koorink en Hortensius woonden. Direct na de Wittelaan een geheel ander beeld met winkels en bedrijven. Zo was daar eerst het garagebedrijf van de gebroeders Jansen. Hun werkplaats en tankstation eindigden bij een hoge muur als grens met de kruidenierswinkel van de wed. A. Stolk, die gedreven werd door een broer en zuster, samen met de heer v.d. Kraan als vaste medewerker. Naast Stolk de rijwielhandel van Gerrit v.d. Zwaan en dan volgde garage 'Nieuw Wassenaar’, de Forddealer, waar op het voorplein altijd een zekere rust heerste.
Na de garage, iets vooruit springend t.o.v. de daaropvolgende bebouwing, een zaak, die de meesten zullen kennen als Maison Kelder, filiaa1 van het moederbedrijf in de Haagse Weissenbruchstraat. Jarenlang werd je daar geholpen door de dames Schnitzler, toen nog woonachtig op het landgoed Wittenburg. De voorgevel sprong dan iets naar achteren en in het hoekje had de heer Randoe zijn bloemenzaak. Toen hij zijn zaak had weggedaan, kwam er een kruideniersbedrijf in. Vervolgens waren er enkele wit geschilderde voordeuren van woningen, met op één daarvan een groot naambord van het loodgietersbedrijf Quick. Daarna kwamen kapper Waldeyer en de kantoorboekhandel Richèl met het postagentschap. Deze winkel van de heer en mevrouw de Vries, was voor de oorlog gevestigd aan het begin van het Kerkehout, a.h.w. tegen 'het buurtje'. Verder lopend kwam het etalageraam van slagerij de Groot. Meteen rechts daarvan was de voordeur van de familie Reijnders. Dit echtpaar was voogd over mijn klasgenoot Loek Rubbens, een Amsterdamse jongen, die ik dagelijks ophaalde om samen naar school te gaan. Aan de andere kant van de slagerij was een toegangspoort, die het mogelijk maakte, om achterom de bebouwing te bereiken. Links van de poort, de groentewinkel van Wijngaarden en dan kwam er een filiaal van de stomerij Palthe, gevolgd door Maison Sprecher met heerlijk gebak en de slijterij van v.d. Kamp. Hangend aan het fietsstuur deden de loodzware, met drank gevulde, lederen tassen dienst om de bestellingen bezorgd te krijgen. Van een Arbo-wet was toen geen sprake! Het laatste pand sprong weer iets naar voren en bevatte het woonhuis met de drogisterij van. P. Singelenberg. Van binnen zag de zaak er bijna als een apotheek uit, met al die potten vol oliën en zalven.
J.W. ten Veldhuys