Bekend is dat in Wassenaar eeuwenlang turf werd gestoken. Kort na 1500 kwam in Holland het steken van turf, de droge turfwinning, echter tot een einde. Het hield op doordat bijna overal bij dit turfsteken de ondergrond van klei of zand aan de oppervlakte was gekomen of doordat de grondwaterspiegel was bereikt. Voor de winning van de grote hoeveelheid onder water liggend veen, werd omstreeks 1530 echter een geheel nieuwe werkwijze ontwikkeld, het zogenaamde ’slagturven’. Met baggerbeugels werd het veen uit het water naar boven gehaald en op het land (de legakkers) in een laag van ongeveer dertig centimeter dik te drogen gelegd. Het moest dan na een poosje nog eens aangestampt worden, maar als het voldoende stevig geworden was kon uit deze veenlaag de zeer gewilde turf ‘gestikt’ worden. Die moest dan nog wel verder gedroogd worden door het nog een aantal keren te verstapelen.
Een meer uitvoerige beschrijving van de nieuwe werkwijze is te vinden in een in 2006 verschenen boek van Milja van Tielhof en Petra van Dam, Waterstaat in stedenland. Hierin is ook sprake van het ‘landvernielende slagturven’. Het op grote schaal baggeren van veen had namelijk tot gevolg dat er vele ‘petgaten’ en daarna ook grote plassen ontstonden. En gaandeweg kwam er bij het hoogheemraadschap Rijnland heel wat regelgeving tot stand om het niet geheel uit de hand te laten lopen. Na verloop van tijd hadden grondeigenaars toestemming van Rijnland nodig om te slagturven. En ook werd er door Rijnland belasting geheven als een compensatie voor het niet meer ontvangen van de morgengelden (grondbelasting) over de in plassen veranderde gronden. Bij het plassengebied denken we niet meteen aan de Duivenvoordse- Veenzijdse polder, maar tot mijn verrassing bleek uit kohieren in het archief van Rijnland, dat in de jaren 1603-1630 ook in het ‘Lage veen’ van Wassenaar, de strook tussen de Veenwatering en de Schenk, geslagturfd werd.
De totale voor Wassenaar vermelde oppervlakte in 1603 is 184 roeden ofwel ietsje meer dan een kwart ha. Het gaat hierbij niet om de oppervlakte waaruit gebaggerd is, want dat kon tot heel verschillende diepten gaan, maar om de oppervlakte waarop de bagger ‘gespreid’ werd, ofwel te drogen werd gelegd. Ook van de jaren 1618, 1620 en 1630 zijn er zulke kohieren over Wassenaar bewaard gebleven, waarbij steeds namen van ongeveer negen boeren, onder wie Joost Ariensz, pachter van de latere Kerkewoning, worden vermeld. Voor Wassenaar als geheel was de oppervlakte in die jaren ongeveer twee keer die van 1603, ongeveer een halve hectare.
Van de andere jaren tussen 1603 en 1630 zijn geen kohieren bewaard gebleven, maar het is aannemelijk dat in deze jaren het slagturven ook heeft plaatsgevonden. Van het jaar 1619 zit er bijvoorbeeld tussen de kohieren nog wel een verslag van een inspectie door de bode van Rijnland. Deze heeft samen met de ambachtsbewaarders van Wassenaar de aldaar gelegen venen bezocht, maar ze hebben niet geconstateerd dat iemand heeft gehandeld in strijd met het plakkaat en de ordonnantiën inzake het slagturven. En wellicht is het ook na 1630 nog wel doorgegaan. Dit slagturven heeft hier echter steeds op een beperkte schaal plaatsgevonden. De ontstane gaten werden in de regel met zand en poortaarde ‘toegemaakt’ en er zijn aan de Veenzijde van Wassenaar geen grote plassen ontstaan.
Albert Niphuis