In een vorige aflevering gaf ik aan dat het delven van veen (de turfwinning) in de Veenzijde een aanvang nam nadat Dirc van Wassenaer in 1311 begonnen was met het in erfhuur uitgeven van zijn ‘grote veen’, die hij in leen hield van ‘de Graaflijkheid’ of wel de Graaf van Holland. Er moet toen een metersdik veenkussen zijn geweest, waarop koren en ook wel hennip werd geteeld.
We hebben geen zekerheid, maar aannemelijk is dat ten behoeve van deze akkerbouw al de nodige sloten werden gegraven. Na het weggraven van de toplaag van het veen voor brandstofwinning, zal de noodzaak van ontwatering zich in versterkte mate hebben voorgedaan, zodat naar de Veenwatering en de Schenk een groot aantal evenwijdige sloten werd gegraven. Van de Veenwatering wordt aangenomen, dat het een van nature aanwezig oud veenstroompje was. Bij de Schenk, de grens met Voorschoten en daarom ook wel Scheydtsloot of Scheydtwatering, kan het toen ook om een geheel nieuw gegraven watering zijn gegaan. Via de sloten en de weteringen werd het water afgevoerd naar de Rijn. Zodoende kon de bovenlaag van het veen steeds voldoende drogen. Dat leidde er echter toe dat het veen inklonk, dus steeds lager kwam te liggen en zo dus weer steeds natter werd. Kunstmatige afwateringsvoorzieningen werden nodig. Vanaf het tweede kwart van de 17e eeuw werden ook in Wassenaar en Voorschoten gronden, die eerder soms al particuliere poldertjes bevatten, bekaad en tot gemeenschappelijke poldergebieden ingericht. Aan de noordwestzijde van de Schenk waren dat de Raaphorster polder (1632) en de Veenzijdse polder (ca 1651). Aan de zuidoostzijde van de Schenk waren het, vanaf de Landscheiding (de huidige N14) in noordoostellijke richting, de Zijdepolder (1632), de Fluitpolder (ca 1641) en de Duivenvoordse polder (ca 1626). De in 1841 aangelegde spoorlijn doorsneed deze drie laatste polders. In 1878 besloten de besturen van vier polders – alleen de Zijdepolder deed niet mee – om gezamenlijk een stoomgemaal te installeren tot gemeenschappelijke bemaling. De polders werden samengevoegd en sedertdien hebben we de Duivenvoordse en Veenzijdse polder.
Aan het middeleeuwse verkavelingspatroon van het gebied is tot op de dag van vandaag echter weinig veranderd. Wel valt nog op, dat op oude kaarten, bijv. een kaart van 1611 van Floris Balthasar, landmeter van Rijnland, een weg getekend is (de Voorwech) van wat nu de Rijksstraatweg is, ongeveer waar nu het Kerkehout ligt, naar Veur (nu deel van Leidschendam), dwars door het veenweidegebied dus. In een document van 1493, maar ook in het begin van de 17e eeuw nog, zien we de weg aangeduid als ‘Veurwech’. Het is twijfelachtig of het echt een weg was of dat het weinig meer dan een karrespoor in het weiland was. Het lijkt meer om een recht van overweg te hebben gegaan. En er zijn aanwijzingen dat omstreeks 1610 de toenmalige eigenaresse van wat nu de boerderij Kerkewoning is, een proces begon voor het Hof van Holland om dit recht van overweg teniet te doen. En dat lijkt te zijn gelukt, want op latere kaarten komt de weg niet meer voor.
Albert Niphuis