Wilde vogels kunnen tegenwoordig op veel belangstelling van de mens rekenen. Mezen worden ’s winters bijgevoederd en beschikken in het voorjaar over een houten nestkastje waarin ze kunnen broeden. En tal van vogelaars trekken er zo nu en dan met de kijker op uit om de gevederde vrienden in de vrije natuur te bestuderen.
Ook vóór pakweg 1900 had men belangstelling voor vogels, maar die was toen vrijwel uitsluitend culinair van aard. Vogels werden op grote schaal gevangen en opgegeten. De Hollandse adel schijnt aanvankelijk vooral belangstelling te hebben gehad in grote watervogels. Zwanen, reigers en roerdompen werden met smaak gegeten. Het recht om zwanen te houden was in Holland voorbehouden aan de graaf, hoge ambachtsheren, een aantal kastelen en enkele steden. De Van Wassenaers gaven sommige van hun leenmannen toestemming om zwanen te houden, zoals bij het Huis ter Weer in de 14de eeuw en bij de boerderij (toen een buitenplaats?) Zuidhof in de 17de eeuw. De zwanen van Duivenvoorde in Voorschoten waren in de 18de eeuw te herkennen aan een koperen halsband met de naam van het kasteel erop. Enkele van deze halsbanden worden nog op het kasteel bewaard.
Het landgoed Reigersbergen, tegenwoordig in het nieuws vanwege het automuseum dat hier wordt gevestigd, beschikte over een moerasbos waar reigers “geoogst” werden. Zo werd in 1553 in het kohier van de 10de penning (een belastingregister) opgetekend: “Uyt ’t Bosch behoerende totte voirsz. hofstede zijn in dese jare 353 quacken vercoft, behalven die mijn here tot zijnre keucken gahadt heeft.” Waarschijnlijk ging het om jonge Kwakken (een kleine reigersoort die nu in Nederland zeldzaam is) die uit de nesten werden gehaald.Volgens Ignaz Matthey, die in het Jaarverslag 2002 van de Historische Vereniging Oud Wassenaer een artikel schreef over de consumptie van zangvogels, begon aan het eind van de Middeleeuwen de belangstelling voor het eten van de genoemde grote watervogels sterk af te nemen. Het schijnt dat deze vogels moeilijk te verteren waren en dus zwaar op de maag lagen. De elite ontwikkelde een voorkeur voor kleine vogels. Aan menig 17de-eeuws kasteel hingen zogeheten spreeuwenpotten. Dit waren grote kruiken, voorzien van een keramisch deurtje in de buik. Jonge spreeuwen werden vóór ze konden vliegen uit de spreeuwenpot geplukt om verwerkt te worden in een smakelijke pastei of iets dergelijks. Zo’n 17de-eeuwse spreeuwenpot is gevonden in de slotgracht van het Huis ter Weer (nu te zien in het souterrain van De Paauw) en bij een opgraving in de Langstraat.
Vinken en andere kleine vogels werden in de trektijd gevangen op zogeheten vinkenbanen. Duizenden vogeltjes vonden hun einde in de slagnetten. Zo’n vinkenbaan was onder andere te vinden op het landgoed Duinrell. De administratie van de vangsten op Duinrell is voor een deel bewaard gebleven. De elite beoefende het “vinken” met passie en kon de vogeltjes met smaak verorberen. De gewone man en zijn vrouw schijnen weinig te hebben opgehad met dat kleine spul. Het veroorzaakte een hoop gedoe met kleine botjes en leverde weinig vlees op. Hun voorkeur ging dan ook uit naar een grote, vette vogel.
Robert van Lit