Vanuit het plaatsje Sumar – gemeente Tytsjerksteradiel – in Friesland bereikte mij de vraag of ik iets over de Wassenaarse jaren van de schrijfster Grietje Spaanderman-Wielinga kon vertellen. Enkele leden van de historische vereniging aldaar denken erover haar leven te gaan beschrijven in een boek, vandaar. U zult begrijpen dat ik ook meteen aan deze rubriek dacht.
Grietje Wielinga is op 15 april 1899 in Sumar geboren. Haar vader zat vol verhalen over legenden, sagen en sprookjes en die kreeg ze al op jonge leeftijd te horen. Op school blonk ze uit in het schrijven van opstellen en de combinatie hiervan heeft later tot het schrijven van romans geleid. In 1922 trouwde ze met de aannemer Jacob Spaanderman; ze gingen in Harlingen wonen en kregen één zoon. In 1952 verhuisden ze naar Wassenaar en in 1960 keerden ze terug naar Harlingen. Jacob is in 1968 overleden en Grietje drie jaar later op 18 mei 1971 in Sneek.
Jacob en Grietje kochten in 1952 in ons dorp een leegstaand fabrieksgebouw, op het adres: Santhorstlaan 47. Dit gebouw had in de loop der jaren al vele functies gekend: stal en wagenschuur, rozenessence fabriek en – tijdens de Tweede Wereldoorlog – kippenslachterij. Ze lieten het ingrijpend verbouwen om er een pension van te maken: pension huize “De Jister”. Het Friese woord jister duidt op een deel van de weide, dat door een hek afgescheiden is en waar koeien worden gemolken. Ik denk dat ze de nadruk wilden leggen op de geborgenheid die het pension hen kon bieden. In de tijd dat Grietje in Wassenaar woonde is ze begonnen met het publiceren van romans, waarbij de verhalen van haar vader vaak als bron van inspiratie dienden. Ze schreef deze verhalen in het Fries. Enkele voorbeelden: It goudene ûleboerd (In de nok van boerderijen treft men vaak een uilenbord aan. Hierdoor kunnen de uilen in en uit vliegen) , As de sémearmin sjongt en It Loeder fan Clancarty. Ook schreef ze verhalen voor het Friesch Dagblad en de Libelle. Onze dorpsgenoot, Sipke van der Land, vertelde me, dat hij bij haar op bezoek geweest is in het pension. Het was – zeker in de winter – een groot, koud huis. Grietje zat, gehuld in een deken, aan een tafeltje voor het raam te schrijven. In het Wassenaars Nieuwsblad van 11 januari 1957 trof ik een advertentie aan, waarin erop wordt gewezen, dat het om fraai gemeubileerde kamers gaat, in een gegarandeerd prima pension.
Later is dit pension in andere handen overgegaan en kreeg het de naam: “Huize Santhorst”. Van 1984 tot 2001 was er een internaat voor jongens en meisjes gevestigd, waarvan de ouders in het buitenland verbleven, genaamd: “Internaat de Santhorst”.
Voor zover mij bekend zijn haar boeken nooit in het Nederlands vertaald en dat betekent, dat ze voor een betrekkelijk klein aantal lezers schreef. Toch vind ik op Marktplaats nog een vijftal boeken van haar in de aanbieding. Helemaal vergeten is ze kennelijk niet.
Carl Doeke Eisma