“Ik ben Hans Lodeizen goed
Of kwaad ik ben verliefd
Zonder blozen een kersenboomgaard
Voor alle mensen.”
Veel grote dichters heeft ons dorp niet voortgebracht, dacht ik zo. (Mocht u het hier overigens niet mee eens zijn, dan hoor ik dat graag.)
Ik wil een uitzondering maken voor Hans Lodeizen. Hij wordt niet ten onrechte beschouwd als één van de belangrijkste voorbeelden voor de groep van dichters die later de “Vijftigers” of “de Experimentelen” genoemd werd. (Lucebert en Bert Schierbeek om er twee te noemen.)
Hans is op 20 juli 1924 in Naarden geboren. Zijn vader werkte in die tijd bij Enka en is later president-directeur van Müller en Co geworden. Vanaf 1928 heeft het gezin een jaartje in Italië gewoond, vervolgens tot 1933 in Arnhem en daarna in Wassenaar. Aanvankelijk op de Wilhelminalaan en vanaf 1936 op de Schouwweg 102 (villa Schouwenhoek). In 1933 kwam Hans in de 3de klas van de Kievitschool. Later schreef hij over die tijd: “Toen hoorde ik de kraaien krassen, die om de kerktoren vlogen en tussen de bomen van het park neerstreken als grote zwarte bladeren vallend van de toren. Ik was zeer gelukkig. Met die dag begon mijn leven.” Na de Kievitschool ging hij naar het Haags Lyceum omdat hij niet geslaagd was voor het toelatingsexamen van het Rijnlands Lyceum (1937). Met vallen en opstaan heeft hij hier het einddiploma behaald. Na een korte tijd in Leiden rechten gestudeerd te hebben, vertrok hij voor een aantal jaren naar Amerika, waar hij biologie gestudeerd heeft. “Vanaf zijn prille jeugd hield Hans van dieren,” zo lees ik in een biografie over zijn leven. Toch zal hij ook deze studie niet afmaken. Hierna heeft hij enige tijd op een kantoor in Den Haag gewerkt. Op 26 juli 1950 is hij In Lausanne overleden en aldaar begraven. (Hij leed sinds enkele jaren aan leukemie.)
Zijn leven heeft voor een belangrijk deel in het teken gestaan van het zoeken naar identiteit en het verlangen ooit werkelijk een dichter te worden. In 1949 verscheen de dichtbundel: “Het innerlijk behang”, later gevolgd door enkele andere bundels. In 1950 kreeg hij postuum de Jan Campert prijs.
“door gedichten te schrijven
gaat men langzaam maar zeker dood,
o dichter
(bedenk wel wat je doet)”
Carl Doeke Eisma